Les 2 Het speldenkussen en het meetlint

Lesinhoud:

  • De kinderen bekijken en onderzoeken het speldenkussen en meetlint, en komen zo meer te weten over de eigenaar van de koffer

Lesdoelen:

  • De leerlingen kunnen de voorwerpen omschrijven met gebruikmaking van de juiste woorden
  • De leerlingen kunnen vertellen waartoe deze voorwerpen dienen

Benodigdheden:

  • Het speldenkussen en het meetlint uit de koffer
  • Werkblad 2 (facultatief)

Tijd:

  • 30 minuten

Voorbereiding:

  • Plaats de koffer op een zichtbare plek

1. Introductie 

Herinner de kinderen aan de koffer.

Vandaag ga je verder met het onderzoek naar de eigenaar van de koffer. Stel voor aan de hand van een van de voorwerpen - het speldenkussen en het meetlint – meer proberen te weten te over wie de eigenaar van de koffer is. Laat het speldenkussen en het meetlint door zoveel mogelijk kinderhanden gaan, zodat iedereen ze van dichtbij heeft bekeken, gevoeld en geroken. Bespreek die zintuiglijke waarnemingen: is het mooi/lelijk, hard/zacht, oud/nieuw, lang/kort, vies/schoon

2. Klassengesprek 

1. Bekijk en bespreek samen met de kinderen het speldenkussen en het meetlint. Wat zou het kunnen zijn? Is het speldenkussen nieuw of oud? Hoe weet je dat? Welke vorm heeft het? Is het kussentje hard of zacht? Is het meetlint kort of lang?

Wat hebben het meetlint en het speldenkussen met elkaar te maken?

Leg uit waar het polsspeldenkussen voor dient: het is een soort armband die om de pols wordt gedaan zodat de spelden binnen handbereik zijn. Maak een vergelijking met een doos potloden. Tijdens het tekenen heb je dan alle potloden/pennen bij elkaar in doos. Maar ook met bijvoorbeeld een gereedschapsriem voor een bouwvakker, een agent die pistool, mobilofoon en wapenstok om zijn lijf heeft hangen. Een indiaan heeft een pijlenkoker op zijn rug.

2. Zo’n speldenkussen is vooral handig als je een zoom moet afspelden. Laat één leerling op de tafel staan en laat zien hoe de naaister de zoom van een nieuwe jurk of rok afspeldde. Of laat het twee kinderen voordoen. Vraag aan twee andere kinderen welke voorwerpen uit de koffer nog meer met het maken van kleding te maken hebben, zoals de stoffen, het vingerhoedje, knopen en het aantekenboekje bijvoorbeeld.

3. Leg uit dat je met het meetlint kunt meten hoe groot of klein iets is. Laat twee kinderen de voorwerpen van groot naar klein leggen. Ook kunnen ze dan bedenken van welk voorwerp er maar weinig in de koffer kunnen, van welk meer of het meest.

Laat 2 leerlingen bij een ander kind de omtrek van de buik meten. Vraag hen het getal op te noemen waar het meetlint op uitkomt. Zou dat veel of weinig zijn? Als de leerling nog geen cijfers kan lezen, vraag een ander kind hem te helpen en het op te lezen. Laat hen ook je eigen buik opmeten! Is het getal groter dan bij de leerlingen?

3. Afsluiting 

Bedenk samen met de kinderen wat de verschillende redenen zouden kunnen zijn waarom de eigenaar die spullen in zijn koffer bewaart. Waarom zou hij dat doen?

  • Vraag twee kinderen hun veronderstellingen toe te lichten en stimuleer ze daarbij het woord 'omdat' te gebruiken. Zet de conclusies samen op papier.
  • Vraag twee andere kinderen die het hier niet mee eens zijn, dit toe te lichten.
  • Vraag nog twee andere kinderen die het wel met de veronderstellingen eens zijn, dit toe te lichten.
  • Zet samen met de kinderen op een rijtje (maak aantekeningen) wat ze nu meer weten over de eigenaar van de koffer. Laat een aantal kinderen om de beurt iets opnoemen en vertellen waarom ze dit denken.
  • Vraag twee kinderen om een suggestie hoe ze de eigenaar kunnen vinden.

 

Tips voor de leerkracht

  • Hang een papier aan de muur en laat de kinderen elkaar meten door een streepje boven het hoofd op het papier te zetten met de naam erachter. Wie is het grootste van de klas, wie is er kleiner dan…. Hetzelfde kun je doen door de kinderen van klein naar groot op een rij te zetten. Past er iemand in de koffer?
  • Werkblad 2: Als je letterstempels in de klas hebt, kun je deze bij werkblad 2 gebruiken. Hierop staan een aantal attributen uit de koffer met daarboven het woord. Stempel de woorden en maak een tekening bij het woord. Je kunt ook de plaatjes laten natekenen, inkleuren, of er andere plaatjes bij laten tekenen die de kinderen ermee associëren (een vis bij de schelp etc.)