Achtergrondinformatie - Vianen

Steden en stadsrechten

 

500-1000: West-Europa agrarisch gebiedboeren

Na de val van het West-Romeinse Rijk in de vijfde eeuw, raakten de (Romeinse) steden ontvolkt. West-Europa werd vooral een agrarisch gebied. De Germanen, die de Romeinen hadden verdreven, waren meestal boeren. Zij vonden bescherming bij grootgrondbezitters, op wiens gebied zij zich vestigden. Zo ontstonden de zogenaamde domeinen op de landgoederen rond kastelen. Boeren mochten hier veilig wonen in ruil voor betaling en arbeid. Ze bewerkten het land van de heer. En ze vochten voor hem in tijden van oorlog. De boeren waren meestal onvrij: ze hoorden bij de heer en zijn domein. Zij werden horigen genoemd. Het verplichte werk voor de heer noemen we herendiensten. Ook abdijen hadden domeinen waar horige boeren het werk deden. De grootgrondbezitters, waartoe ook de hoge geestelijken hoorden, waren van adel.

 

Het ontstaan van steden

 

Vanaf het jaar 1000 ontstonden er weer meer steden. Daar waren drie belangrijke redenen voor:

De eerste was de bevolkingsgroei. Dit kwam onder meer door veranderingen (verbeteringen) in de landbouw.

Ten tweede ging men steeds meer handel drijven. Een belangrijke oorzaak daarvan waren de kruistochten.

Ten slotte werd handel drijven ook steeds gemakkelijker. Kooplieden gingen samenwerken waardoor ze minder last van rovers hadden. Koningen stimuleerden de handel. Ze lieten wegen opknappen en verlaagden belastingen voor gebruik van wegen en bruggen.

Steden gingen groeien, er trokken steeds meer mensen naartoe. Zeker de steden die vlakbij goede handelsroutes lagen (wegen of waterwegen, kruispunten, doorwaadbare plaatsen).

 

Stadsrechten

 

In het begin waren de steden onvrij, net als de boeren. De inwoners moesten herendiensten doen voor de heren.

Vanaf het jaar 1000 kregen steeds meer steden stadsrechten van hun heer. De inwoners betaalden belasting en hoefden verder niet meer voor hem te werken. Ze kochten hun herendiensten dus af. Ze mochten een muur om de stad bouwen en haar zelf besturen.

Welke privileges kreeg een stad die stadsrechten verwierf?

  • het recht op de eigen verdediging, dus het recht om een muur rond de stad te bouwen
  • het recht op eigen stadsbestuur (door burgemeesters en schepenen)
  • het recht op het maken van eigen wetten en regels (keuren)
  • het recht op eigen rechtspraak voor de inwoners van de stad → de landheer stelde een schout aan, dat was een soort hoofd van de politie (de rakkers). De schout sprak ook recht, samen met de schepenen.
  • tolvrijdom in het gehele gebied van de landsheer
  • En vaak ook:
  • het recht om een jaarmarkt te houden
  • het recht om eigen munten te slaan
  • en de stad en haar burgers kregen recht op een eigen zegel, hét symbool van autonomie.

 

  

Vianen

In 1327 trouwde heer Willem van Duvenvoorde, een leenman van graaf Willem III, met Heylwich van Vianen. Willem werd officieel niet de heer van Vianen; Heylwich bleef ‘Vrouwe van Vyanen’; maar de rijke en machtige Willem had veel invloed en kon meestal zijn zaken regelen zoals hij dat wilde. In 1336 gaf Willem stadsrechten aan Vianen. In de stichtingsoorkonde van 22 september 1336 valt te lezen dat de hoge boetes die de schepenen mochten opleggen, geheel aan de heer toevielen; hij werd er dus niet slechter van!

 

Anders in Vianen

Vaak was een stadsrechtverlening niet een absoluut beginpunt, waarin alles in één keer geregeld werd, maar een voortzetting en uitbreiding van bepaalde rechten die een nederzetting in de loop der jaren al had gekregen.

Het recht van drie jaarmarkten en een weekmarkt, op woensdag, had Vianen negen maanden eerder al gekregen. Ook was op het moment van de stadsrechtverlening al begonnen met het bouwen van een muur rond de stad, namelijk in 1321. Dit was een muur en een gracht, voor een groot deel een dubbele omgrachting: buiten en binnen de muur. In 1355 en 1419 werd de muur verder versterkt. Wel kreeg Vianen in 1336 het zeer belangrijke keurrecht: het recht om verordeningen vast te stellen. Dit gaf de stad veel bestuurlijke vrijheid. De schout moest wel medewerking verlenen, en de schout was, ook in Vianen, een vertegenwoordiger van de heer.

De rechtspraak was in handen van de schepenbank, die de burgerij vertegenwoordigde. Maar de boetes die de schepenbank kon opleggen moesten zoals gezegd worden afgedragen aan de heer. Het recht om accijnsen (belasting op producten) te heffen, heel belangrijk voor de ontwikkeling van een stad, kreeg Vianen pas in 1354.

Of Vianen een stadszegel kreeg, is niet bekend. Het wordt niet genoemd in de stadsrechtverlening van 1336.